Irme de Bonth, expert Wet zorg en dwang bij Vilans, geeft het antwoord op deze vraag.

In het algemeen zijn dit de uitgangspunten in het zorgplan:

  • Wie is de bewoner?
  • Wat speelt er? Wat vraagt aandacht?
  • Welke zorg is afgesproken? Waarom (doelen), wat en hoe?

Deze afspraken leg je met instemming van de cliënt vast.

Soms kunnen mensen met een verstandelijke beperking of met dementie niet inschatten wat goed voor hen is. Zorgverleners helpen ze bij die keuzes, waarbij rekening wordt gehouden met veiligheid en kwaliteit van leven. Het kan betekenen dat hun vrijheid hierdoor wordt beperkt. Zorgverleners moeten daar zorgvuldig mee omgaan en er alléén voor kiezen als echt het niet anders kan.

Stappenplan

Onvrijwillige zorg moet zo kort mogelijk en op de minst ingrijpende manier plaatsvinden. Een zorgaanbieder moet aan de hand van een stappenplan eerst de situatie van een cliënt bekijken. 

Volgens het stappenplan moet de zorgverleners ook de noodzaak van dwang benoemen en bedenken of er ook nog andere oplossingen zijn. Dit doet hij in overleg met degene voor wie de zorg bedoeld is en de mensen om hem heen, en met de steun van collega’s en deskundigen. Zo komen ze tot een besluit over het toepassen van dwang in de zorg. Samen kijken ze steeds opnieuw of de maatregel nog nodig is. Mocht de cliënt of zijn wettelijk vertegenwoordiger het er niet mee eens zijn of behoefte hebben aan ondersteuning, dan heeft diegene recht op advies en bijstand door een cliëntenvertrouwenspersoon. 

In het zorgplan worden dan vastgelegd:

  1. Wat is er aan de hand? Welke situatie, welke gedrag? En wat is het ernstig nadeel voor de cliënt? En doet zich dit ook voor of wil je iets voorkomen? 
  2. Wat kan de oorzaak van het gedrag van de cliënt zijn waardoor ernstig nadeel ontstaat? Kijk hierbij goed naar ‘wie is de bewoner en zijn historie’, wat is het effect van de omgeving, overleg met naasten van de cliënt en collega’s.
  3. Welke vorm van onvrijwillige zorg wordt overwogen?
  4. Is de cliënt wilsbekwaam of wilsonbekwaam ter zake?
  5. Welke mogelijkheden voor vrijwillige zorg zouden nog benut kunnen worden, waardoor geen of minder onvrijwillige zorg nodig is?
  6. Wat kunnen de nadelige effecten van onvrijwillige zorg zijn, afgewogen tegen het ernstig nadeel dat moet worden afgewend?
  7. Voor welke termijn wordt de onvrijwillige zorg in het zorgplan opgenomen? (zo kort mogelijk, wanneer afbouw, passend bij de aard van de zorg en ingrijpendheid voor de cliënt)
  8. Welke zorgverlener of categorie van zorgverleners is bevoegd tot het toepassen van de onvrijwillige zorg?
  9. Is er op verantwoorde wijze voorzien in toezicht tijdens de toepassing ervan? Denk hier bijvoorbeeld aan bedhekken die omhoog staan bij een alleenwonende cliënt met dementie die thuis woont zonder toezicht.
  10. Als de cliënt thuis woont, is de thuissituatie geschikt voor toepassing van de alternatieven?
  11. Wie is de zorgverantwoordelijke? En wie is de (wettelijk) vertegenwoordiger? Daarnaast moet ook de inbreng van de Wzd-functionaris zichtbaar zijn in het zorgplan. 

Je legt dit vast in het dossier. Feitelijk bij elke stap van het stappenplan. Je bespreekt deze vragen met de disciplines die betrokken zijn bij de cliënt, vanuit de diverse rollen in het stappenplan.