De hulp aan jeugd en jongeren moet gemakkelijker worden nu per 1 januari het zogenoemde “nieuwe woonplaatsbeginsel” van kracht is. De gemeente waar de jongere ingeschreven staat is verantwoordelijk voor de hulp en de financiering. Hulpverlening wordt administratief minder ingewikkeld, maar heeft de jongere en de professional daar ook iets aan?

Het woonplaatsbeginsel van de Jeugdwet is op 1 januari aangepast. Daardoor is het sneller duidelijk welke gemeente moet betalen voor jeugdhulp. Het nieuwe woonplaatsbeginsel maakt de woonplaats van een jeugdige – waar hij of zij staat ingeschreven voorafgaand aan de zorg – verantwoordelijk voor de hulp. Eerder was de woonplaats van de gezaghebbende ouder verantwoordelijk voor het hulptraject. Dat leidde tot verwarrende toestanden als die ouder verhuisde of het gezag verloor; dan moest ook de financiering opnieuw geregeld worden.

Preventief werken

De aanpassing van deze regel moet leiden tot meer duidelijkheid voor de gemeente, voor professionals en voor de jongere. Het leidt tot lagere uitvoeringslasten. Verder is het doel om gemeenten te stimuleren om meer preventief te werken in de jeugdhulp. De oorspronkelijke gemeente waar de jongere is ingeschreven blijft nu verantwoordelijk voor een jeugdige, ook als hij of zij elders verblijft. Bijkomend voordeel is dat het gemeenten stimuleert om te investeren in preventie. Want ook als een kind voor jeugdhulp verhuist naar een andere gemeente, moet de oorspronkelijke woonplaats blijven betalen voor de hulp aan dat kind.

Geld van de andere kant van het land

En dat is nu meteen het grootste probleem van het nieuwe woonbeginsel. ‘In de praktijk kan het voor professionals betekenen dat zij contact moeten leggen met een gemeente die aan de andere kant van het land zit, omdat die nu betaalt voor een jeugdige die elders woont’, legt persvoorlichter Van der Galiën van Jeugdzorg Nederland uit. ‘Dit kan in de praktijk wat ingewikkeld zijn, maar de zorg voor de jeugdige staat altijd voorop en zal in belang van jeugdige gecontinueerd worden’, verwacht brancheorganisatie Jeugdzorg Nederland.

Administratie en uitgestelde zorg

In het verleden is het in de hulpverlening aan jeugdigen vaak voorgekomen dat het ouderlijk gezag veranderde, de jongere of hun gezag dragende ouder naar een andere gemeente verhuisde. Dat leidde tot veel administratieve en tijdrovende rompslomp, met uitgestelde of afgestelde zorg tot gevolg. Het gevolg is hoge uitvoeringskosten en onduidelijkheid tussen gemeenten en zorgaanbieders en onduidelijkheid over hulp bij de jeugdige en de ouders.

Financiële gevolgen

Door het nieuwe woonplaatsbeginsel verandert ook de verdeling van het budget voor jeugdigen met een voogdijmaatregel en 18+ jeugdigen. De budgetten voor deze groep worden nu nog aan de hand van een historisch verdeelmodel onder gemeenten verdeeld. Er komt een meer objectief verdeelmodel voor jeugdhulp. Dit loopt mee met de herijking van het Gemeentefonds op 1 januari 2023. Daarom wordt voor voogdij en 18+ het budget voor 2022 nog een jaar verdeeld op basis van historisch zorggebruik.

Woonplaats onbekend

Er is ook nog een uitzondering voor jeugdigen waarvan de woonplaats van oorsprong onbekend is. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een jongere sowieso niet was ingeschreven omdat hij voorafgaand aan jeugdzorg in het buitenland verbleef. Voor deze groep blijft de gemeente verantwoordelijk waar de jeugdige verblijft, net als onder het oude woonplaatsbeginsel. Er is een compensatieregeling om de kosten die gemeenten maken voor deze groep te vergoeden. Deze compensatieregeling geldt voor kinderen die al voor 1 januari 2022 in zorg met verblijf zaten en waarvan het nieuwe woonplaatsbeginsel op 1 januari 2022 niet tot een herleidbare woonplaats leidt.

Samen met het Ketenbureau i-Sociaal Domein, het ministerie van VWS en brancheorganisaties jeugdzorg ondersteunt de VNG komend jaar de implementatie van het woonplaatsbeginsel. Zie ook: Groep Woonplaatsbeginsel Jeugdwet