Wat kun je als sociaal werker leren van uitspraken in het tuchtrecht? Dat lees je in deze serie van Vakblad Sociaal Werk. In deze zesde aflevering komt het ontbreken van toestemming voor jeudhulp aan de orde.

Professionals gaan op basis van instemming van de cliënt een professionele relatie aan. Zo verwoordt artikel 8 van de Beroepscode voor de Maatschappelijk Werker het instemmingsbeginsel. Dit beginsel gaat terug op de Grondwet, waarin het basale recht op de onaantastbaarheid van het lichaam staat verwoord. Artsen mogen niet behandelen, in welke vorm dan ook, zonder toestemming. Dat principe gaat ook op voor andere vormen van hulp. Met ondersteuning of begeleiding tast je misschien de integriteit van het lichaam niet direct aan, maar je gaat een behandel- of begeleidingsrelatie aan waarbij je de ander wel beïnvloedt. Daarvoor is toestemming nodig.

Binnen het spreekuur van de BPSW komen veel vragen binnen over toestemming. Het gaat dan met name over toestemming in de context van jeugdhulp. Leeftijdsgrenzen bepalen immers wie als wettelijk vertegenwoordiger toestemming moet geven voor een interventie die op het kind gericht is. Nu men in de jeugdhulp vaak wordt geconfronteerd met ouders die het niet met elkaar eens zijn, kan dit basale principe van toestemming een echt dilemma worden.

Casus tuchtrecht

In de hier behandelde tuchtzaak gaat een van de klachten over de toestemming voor jeugdhulp. Of liever, het ontbreken van die toestemming. Het gaat dan specifiek om toestemming bij jeugdhulp. Dus niet om toestemming voor het delen van informatie of het verwerken van gegevens.

De ouders van twee jongens zijn al geruime tijd uit elkaar. Beide ouders hebben gezag. De kinderen verblijven bij hun moeder en er is een omgangsregeling met hun vader. Bij de jongste zoon wordt op een gegeven moment een diagnose gesteld, waardoor de omgangsregeling in overleg wordt aangepast. Hij verblijft daardoor minder vaak bij zijn vader en de praktijk is dat de kinderen feitelijk bij hun moeder verblijven. Een gezinswerker van de gemeente is al betrokken op basis van een hulpvraag rond de jongste zoon, maar de oudste zoon geeft vrij snel daarna signalen af over mishandeling door zijn vader. Een extra zorgelijke situatie dus. Zo schat de gezinswerker het ook in.

De gezinswerker stelt verschillende interventies voor, namelijk gezinsbehandeling, ondersteuningsplannen voor de hulpvraag van de kinderen en, vooruitlopend op de gezinsbehandeling, diverse individuele gesprekken tussen de kinderen en vader, in deze de klager. Wanneer de kinderen op een gegeven moment laten weten dat ze op het afgesproken moment niet naar hun vader willen, mailt vader aan de gezinswerker dat hij geen toestemming meer geeft om contact te hebben met de kinderen. In feite trekt hij daarmee de toestemming voor jeugdhulp in.

Begeleiden zonder toestemming

De professional geeft in eerste instantie aan dat ze met de jongens vooral muziek luistert. Maar uit een e-mailbericht aan vader blijkt dat ze wel degelijk inhoudelijke gesprekken met de kinderen voert. Vader dient een klacht in met meerdere onderdelen, waaronder het ‘begeleiden zonder toestemming’. De eerste vraag die het College moet beantwoorden is: heeft de gezinswerker ‘jeugdhulp’ verleend? Op basis van de omschrijving in de Jeugdwet stelt het College dat dat het geval is. Het gaat namelijk niet om preventie maar om het bieden van ondersteuning en hulp bij het ‘verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van een jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen’. Deze hulp kan in vrijwillig kader alleen op basis van toestemming worden verleend.

Er zijn uitzonderingen, namelijk wanneer de hulp ‘kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de betrokkene te voorkomen, alsmede indien de betrokkene (lees: jeugdige) ook na de weigering van de toestemming, de verrichting weloverwogen blijft wensen.’ Het College oordeelt dat er geen aanleiding is voor een dergelijke uitzondering. De klacht over het verlenen van jeugdhulp zonder toestemming van een van de wettelijke vertegenwoordigers, wordt gegrond verklaard. Omdat ook de andere drie klachtonderdelen (deels) gegrond worden verklaard, krijgt de professional een berisping zonder openbaarmaking opgelegd.

Wegwijzer zorgvuldig handelen

Deze en andere tuchtzaken over het toestemmingsbeginsel leveren veel vragen op in de praktijk. Wanneer mag je uitgaan van ‘ernstig’ nadeel? Wat doe je als een ouder onvindbaar is? Welke juridische mogelijkheden zijn er als een ouder met gezag toestemming weigert? Wat kun je doen als de jeugdige geen toestemming geeft? Wanneer is er sprake van wilsonbekwaamheid? Welke verschillen zijn er tussen vrijwillig en gedwongen kader?

Om antwoord te geven op die vragen ontwikkelden beroepsverenigingen NIP, NVO en BPSW samen met een aantal aanbieders voor jeugdhulp de Wegwijzer Zorgvuldig handelen bij toestemming voor jeugdhulp. In vier korte hoofdstukken worden de belangrijkste uitgangpunten en situaties behandeld. Eerst het beginsel dat je altijd streeft naar instemming, ook als er wettelijk mogelijkheden zijn om zonder toestemming te handelen. Dat is een basisbeginsel uit de beroepsethiek, dat in alle beroepscodes genoemd wordt.

Daarnaast benadrukt de wegwijzer dat toestemming cruciaal is, omdat hulp waarschijnlijk niet veel zin heeft als de betrokkenen er niet achter staan. Daarna wordt ingegaan op toestemming voor jeugdhulp in vrijwillig kader. Wat zijn de leeftijdsgrenzen? Wanneer moeten ouder, jeugdigen of beiden toestemming geven? En wat kun je doen als een van de betrokkenen geen toestemming geeft? In de situatie dat in jeugdhulp aan een jeugdige (jonger dan zestien) en binnen vrijwillig kader een van beide ouders geen toestemming geeft, dan moet je als professional een afweging maken. Kun je je beroepen op ‘ernstig nadeel’ en ‘goed hulpverlenerschap’? In de wegwijzer is een stappenplan opgenomen dat helpt bij de besluitvorming.

Gedwongen hulpverlening

De twee daaropvolgende hoofstukken gaan in op situaties binnen gedwongen hulpverlening, namelijk jeugdhulp bij een OTS en een geneeskundige behandeling bij een OTS. In de laatste situatie gaat het over interventies die gezien kunnen worden als een medische behandeling, en die vallen onder de WGBO. Dat onderscheid is van belang, omdat de wettelijke mogelijkheden bij het uitblijven van toestemming bij een geneeskundige behandeling anders zijn dan binnen de Jeugdwet. Al met al complexe materie, waarin je snel de weg kunt kwijtraken. Daarom is de handreiking zo vormgegeven, dat je al snel ziet in welke ‘situatie’ je zit. Elk hoofdstuk is voorzien van een schema met daarin een overzicht van wie wanneer toestemming moet geven, en wat je kunt doen als die ontbreekt.

De wegwijzer maakt navigeren nog makkelijker door alle situaties en onderwerpen op de laatste pagina nog even overzichtelijk in een stroomschema te zetten. Zo zie je in één oogopslag welke situatie in jouw geval van toepassing is en in welk hoofdstuk je het antwoord op je vraag kunt vinden. Als je de online versie bekijkt, is dit schema zelfs aan te klikken, zodat je in de PDF meteen op de juiste plek belandt.

Zaaknummer SKJ 19.040Ta

Deze aflevering is geschreven door Jurja Steenmeijer. Zij is maatschappelijk werker en ethicus. Ze werkt als trainer en adviseur op het terrein van professionalisering en beroepsethiek in het sociaal werk.