De eerste weken vol vraagtekens

Daar sta je dan. Met je diploma op zak en knikkende knieën. Je eerste dag werken als verpleegkundige na het behalen van je diploma. Ergens super enthousiast, maar aan de andere kant ook erg onzeker. Mijn eerste dag. Ik weet het nog goed. Met mijn haren in een staart liep ik door die donkere grijze gangen van het ziekenhuis. Ik was zo blij dat ik het ziekenhuis al kende en wist waar het kleding automaat was en hoe ik ongeveer moest lopen naar de afdeling. Eenmaal op de afdeling aangekomen nam ik mij voor om mij van mijn beste kant te laten zien. Iedereen zou ik netjes een hand geven, mijzelf voorstellen en glimlachen. Al snel werd duidelijk dat het niet zo zou gaan..

De eerste verpleegkundige die ik tegen kwam was een grote man. Hij had het druk. Ik wist niet of hij van de dagdienst was of van de nachtdienst. Ik had mij zoals voorgenomen netjes voorgesteld, had hem een hand gegeven en probeerde zijn naam te onthouden. Maar doordat hij het druk had, kreeg ik het idee dat ik proactief moest zijn en hem moest helpen. Hij liep weer weg en andere collega’s kwamen binnen. Ze begonnen met elkaar te praten. En daar stond ik dan. Alleen, ik kende niemand en kon niet echt mee praten over alle patiënten die besproken werden.

Het was net zeven uur in de ochtend geweest, ik had wat nieuwe gezichten gezien en de verpleegkundige die het druk had kwam weer terug. Hij riep: ‘Wie wil er met mij mee naar de OK?’. Ik had het idee dat ik dat het beste kon doen. Ik stond immers maar te staan, kon nog niet inloggen op de computer en voelde mij daardoor een beetje nutteloos. Ik antwoordde dat ik wel mee wilde lopen. Hij lachte. Ik hoefde niet mee te lopen. Toen had hij door dat ik niet echt wist wat ik moest doen en nam hij mij mee naar de andere kant van de zusterpost. Hij wees een groot bord aan met daarop kamer nummers en namen van verpleegkundigen. Ik kreeg van hem een briefje met patiënten namen, reden van opname en patiëntenkamers in mijn handen gedrukt. Hij liep met een andere collega naar OK en ik vroeg wie de verpleegkundige was waar ik aan gekoppeld stond.

Dit bleek een hele lieve verpleegkundige te zijn die later werkbegeleider werd en waarmee ik in de dagelijkse praktijk nog veel samenwerk. In de aankomende weken stond ik ook samen met haar gepland op de short-stay patiënten. Deze patiënten kwamen voor zogenaamde dag behandeling operaties en verbleven dus maar één dag op de afdeling. Zo leerde ik anamnese afnemen, de kleinere operaties en de verschillende protocollen van de afdeling. In de tijd dat ik even niets te doen had, maakte ik e-learnings.

De weken die hierna komen gevuld met verantwoordelijkheid

Na een paar weken was ik een beetje los gekomen, kende ik bijna alle verpleegkundigen bij naam en mocht ik over naar de andere kant van de afdeling. Hier lagen de ‘lang liggers’. Vandaag de dag hebben wij de short-stay patiënten niet meer. Die worden behandeld op de dagbehandeling. Het leuke (naja, interessante) is dat wij juist meer lang liggers hebben. Deze patiënten ondergaan een grote operatie (commando of een totale laryngectomie) en blijven voor een week a twee weken bij ons.

De eerste weken aan deze kant van de afdeling leerde ik veel. Nieuwe ziektebeelden, een ander slag patiënt en het was hier altijd bezig. In deze weken las ik enorm veel protocollen, tekende ik veel handelingen af en voltooide ik bijna al mijn e-learnings. Ook thuis was ik er mee bezig.

En toen kwam het.. De eerste dienst mijn eigen patiënten. Oh wat vond ik het spannend. Als jong gediplomeerd verpleegkundige had ik altijd back-up van een senior verpleegkundige. Ik kon haar altijd om hulp vragen en zij keek met alles mee of ik het wel volgens de richtlijnen en protocollen deed. Ideaal en ook best eng. Iemand die de hele tijd met je mee kijkt. Wat ik het spannendste vond, was de verantwoordelijkheid. Het feit dat ik alles moest onthouden, de juiste bevindingen moest doorgeven aan de zaalartsen en geen handelingen mocht vergeten.

Ik maakte een routine lijstje van de dag. Hier stond bijvoorbeeld op hoe laat de medicatie gedeeld werd, wanneer de controles gedaan worden, wanneer de bloedsuikers geprikt moeten worden en per patiënt schreef ik de to-do dingen op. Deze to-do dingen haalde ik uit de rapportages, het protocol van de desbetreffende operatie en de artsenvisite. De eerste week eigen patiënten ging goed en om die reden kreeg ik de tweede week een leerling mee. Dit was dus al in de zesde week dat ik er werkte. Kan ook iets later zijn geweest. Het voelde goed en leuk.

De leerling had echter een rugzakje en had met alles begeleiding nodig. Ik had dit in eerste instantie niet direct door. Natuurlijk gaf ik haar begeleiding en legde ik dingen uit. Ik durfde haar ook nog niets zelfs te laten doen. Puur om het feit dat ik niet wist wat zij mocht en het feit dat ik er zelf nog maar net was. Ze mocht meekijken en we konden samen werken. Toen ik pauze had, liep de psychiater visite bij een heftige casus. De student haalde mij er zelf niet bij. Dit zorgde ervoor dat de psychiater de haldol wilde afbouwen terwijl de patiënt van voor niet wist dat zij van achter leefde. Ook liep de KNO arts langs en droeg over dat er bloed moest worden afgenomen. Ik kon mijn eigen verhaal niet kwijt en kon ik geen vragen stellen. En de student droeg niet over dat er bloed moest worden afgenomen, dit las ik later in de naslag terug.

Hier was ik erg van ontdaan. Ik snapte niet waarom zij dit had gedaan en hoopte dat mijn collega’s inzagen dat ik dit nooit zo zou doen. Ik had het idee dat ik gefaald had en er niet goed was geweest voor mijn patiënt. Ik had niet voor haar kunnen opkomen en was een bloed afname ‘vergeten’. Ik vond de artsenvisite toen eigenlijk al eng om te doen (omdat toen nog de senior verpleegkundige mee liep) en vond over deze gebeurtenis praten al helemaal verschrikkelijk. Toch besloot ik om het te delen met mijn manager.

Omdat ik het echt heel erg vond ging ik met het vocht in mijn ogen naar mijn manager toe en vertelde ik haar alles. Dat ik alles samen wilde doen, omdat ik maar net zelf het overzicht had en nog niet het kon overzien als zij van alles zelf zou gaan doen. Dat ik dit uitgebreid met haar had besproken, maar dat zij als derdejaars student die net op onze afdeling liep, toch zelfstandig de visite had gelopen. Dat zij hierbij onjuiste informatie had gegeven en belangrijke informatie was vergeten over te dragen. De student had mij er gewoon bij moeten halen. Ik had de verantwoordelijkheid. Mijn manager begreep gelukkig alles. Uiteindelijk heb ik zowel de zaalarts gebeld als de psychiater en alles uitgelegd. Tevens heb ik de student apart genomen en verteld wat er allemaal was gebeurt en hoe dit voorkomen had kunnen worden. Eind goed, al goed. De haldol werd niet meer afgebouwd, het bloed werd afgenomen en de student zou de volgende keer echt mij halen als er een arts langsliep.

Helaas liep het voor deze student niet goed af. Wat er bij mij gebeurde, gebeurde bij andere collega’s ook en na een paar weken zonder enige verandering of zelfreflectie is zij met voldoende bewijslast van de afdeling afgehaald. Ik trof het als jong gediplomeerde dus gelijk… Aan de ene kant verschrikkelijk. De angst dat alles fout zou gaan onder mijn verantwoording kwam uit. Aan de andere kant eigenlijk best positief. Ik heb alles recht kunnen zetten en aan mijn collega’s en manager kunnen laten zien wat ik de juiste manier van zorgverlening vind en hoe ik op kom voor mijn patiënten.

Leren, vallen en opstaan in de onregelmatigheid

Na een paar maanden dagdiensten te hebben gedraaid en voor mijn gevoel helemaal in de patiënten, ziektebeelden en operaties te zitten, mocht ik eindelijk de onregelmatigheid in. Ik weet niet meer wat er eerst kwam. Een avonddienst of een nachtdienst. Ik denk de nachtdienst, want ik kan me herinneren dat ik wilde inlezen achter de computer en dat dit niet gebruikelijk was. De verpleegkundigen die samen met mij nachten hadden, vertelde mij dat we eerst een mondelinge overdracht kregen in de koffieruimte, waarna we konden inlezen als de avonddienst naar huis was. Tegenwoordig is dit ook al weer anders.

Een van de verpleegkundigen die mij heeft ingewerkt, werkt nu nog steeds op de afdeling. Wij zitten nu zelfs samen in het canule team. Ik wist nog wel dat ik het zo knap vond dat zij wist waar elk medicament stond in de medicatie ruimte, dat zij zo op tijd alle taken van de nachtdienst kon doen (medicatie uitzetten, opnames voorbereiden, rondes lopen, etc.) en tussendoor nog bellen kon lopen. De nachtdienst hierna had ik met een andere collega nacht en die liep achter mij aan, terwijl ik zelf probeerde te herinneren wat ik de nacht ervoor nou allemaal gedaan had. Gelukkig kon ik het terug vinden in het inwerkboekje en mijn aantekeningen. Dit ging allemaal goed en ik was na de eerste nachtdiensten zo gesloopt dat ik ook prima sliep!

De eerst volgende keer was ik niet over gepland in de nachtdiensten en stond ik samen met een collega die nu helaas weg is. Er belde een meneer. Hij had het benauwd en had een canule. Al snel had mijn collega door dat hij een sputumprop had. Ik had gelukkig al mijn canule zorg en uitzuigen afgetekend en kon met trillende handen mijn collega helpen. Het was zo’n raar idee dat zij en ik als enige op de afdeling waren. Met zoveel patiënten. En dat wij op dat moment een half uur vast stonden bij een meneer die echt onze hulp nodig had. Er gingen ook andere bellen af en die liepen we nadat we de sputumprop uit de canule hadden gehaald en de ademweg van deze meneer weer vrij was. Wat een adrenaline!

In de eerste avonddiensten leerde ik denk ik hoe belangrijk goed samen werken met je collega’s is en hoe je een patiënt naar huis toe stuurt (op de short-stay kant van de afdeling). Ik kan me er niet meer heel veel van herinneren.

De conclusie is dat alles van zelf komt. Ik heb het idee gehad dat ik onder gedompeld werd in informatie en dat er vanuit werd gegaan dat ik het zou redden. Dit lukte ook. Ondertussen heb ik wel mijn grenzen zo goed mogelijk geprobeerd aan te geven en heb ik zoveel mogelijk leermomenten proberen te pakken. Het gaat erom dat je aangeeft wat je wel en niet kunt. Dat je aangeeft wat je wilt leren. En dat je vertrouwen hebt. Uiteindelijk komt alles goed. Die knikkende knieën zijn maar goed ook, want dan let je beter op. Het verantwoordelijkheidsgevoel is goed. Dat heb ik nog steeds. Maar, ervaring leert dat het elke dienst goed komt. En zo niet? Dan heb je altijd collega’s die je kunnen helpen.