Vijf miljoen mensen in Nederland zorgen voor een familielid of naaste. Enorme aantallen die de komende jaren door de vergrijzing alleen maar verder zullen toenemen. Het is voor gemeenten én sociaal professionals belangrijk om deze mantelzorgers goed in beeld te hebben, zegt organisatieadviseur Annemieke Feddema van Movisie. ‘Het gevaar voor overbelasting is groot.’

foto Fotolia

Zoek mantelzorgers actief op en wijs hen op de ondersteuning die er in de gemeente is. ‘Denk aan bijvoorbeeld lotgenotengroepen, logeerhuizen of vrijwilligersorganisaties. Daarom moeten sociale professionals goed op de hoogte zijn van dit aanbod’, zegt Feddema.

Sociale kaart

Voor gemeenten ligt er een taak om die sociaal kaart – met ondersteuning van mantelzorgers – actueel te houden en onder de aandacht van zorg – en welzijnsorganisaties en andere partners te brengen. Feddema is nauw betrokken bij In voor Mantelzorg. Een driejarig programma van Movisie en Vilans, gericht om de lokale samenwerking tussen beroepskrachten, mantelzorgers en vrijwilligers te versterken. Het programma is actief in 27 gemeenten in Nederland. In binnen het programma zijn allerlei toolkits ontwikkeld om de samenwerking te versterken.

Ze ziet dat het onderwerp bij steeds meer gemeenten en sociale professionals op het netvlies staat. Niet gek. De behoefte aan mantelzorgers in Nederland – nu al 5 miljoen – zal met de vergrijzing en terugtredende overheid alleen maar toenemen. Uit een recent onderzoek ‘Blijvende Bron van zorg’ van het SCP blijkt dat één op de vier mantelzorgers die lang en intensief helpen, ernstig is belast. Ook voelen mantelzorgers die niet onder één dak wonen met degene voor wie ze zorgen, zich vaak minder gezien. ‘Door corona verdwijnt nog meer uit beeld, we hebben nu minder zicht op wat er achter de voordeur afspeelt.’

Overbelasting

Sociale professionals zijn zich volgens Feddema in toenemende mate bewust van de kracht van het netwerk van cliënten. ‘Het is belangrijk om daarbij ook oog te hebben voor het draagvlak van de naasten en familieleden. Betrek hen actief bij een keukentafelgesprek en vraag hoe het met hem of haar gaat. Vraag goed door.’

Sommige welzijnsorganisaties of wijkteams hebben een telefonisch of een inloopspreekuur voor mantelzorgers in het leven geroepen. ‘Dat is heel goed, maar we zien dat er in praktijk soms niet veel gebruik van wordt gemaakt. De drempel blijkt dan nog te hoog. Mantelzorgers zijn geneigd om zichzelf weg te cijferen. Ze zullen niet snel om hulp vragen of daar actief naar op zoek gaan. Ze hebben vaak al genoeg aan hun hoofd.’

Annemieke Feddema deelt samen met collega Inge van Steekelenburg tijdens het Zorg+Welzijn congres Wijkteams een aantal voorbeelden uit de praktijk en zal handvatten geven om zelf aan de slag te gaan. Op dit congres spreken ook onder meer Rosanne Bobeldijk, Adviseur Toezicht Sociaal Domein, en Rian van de Schoot, Directeur Advies en implementatie bij Vilans.

Taboe

Schaamte speelt soms een rol. ‘Er zijn hierin echt regionale verschillen, in sommige regio’s is het taboe op hulp vragen groter dan in een stad.’ Het is soms een hele stap voor een mantelzorger om bijvoorbeeld gebruik te maken van een logeer- of respijthuis. Terwijl dat de mantelzorg wel ruimte biedt om even op adem te komen.

Om overbelasting bij mantelzorgers te voorkomen is goede samenwerking en afstemming belangrijk, zowel met mantelzorgers als tussen professionals onderling. Ook bijvoorbeeld wijkverpleegkundigen, thuiszorgmedewerkers en allerlei andere professionals moeten oog hebben voor de mantelzorger en weten met wie ze kunnen schakelen. ‘Dit is een onderwerp dat voortdurend aandacht behoeft. De samenwerking is echt belangrijk.’

Persona’s

Veel gemeenten en sociale partners worstelen nog met de vraag hoe ze mantelzorgers goed kunnen bereiken. De groep is erg divers – qua leeftijd, achtergronden. Eén op de vier mantelzorgers combineert mantelzorg bijvoorbeeld met betaald werk.

‘Veel mensen die hun dochter, partner of ouders helpen vinden dat heel vanzelfsprekend en zien zichzelf niet als ‘mantelzorger’. Ze hebben een heel ander beeld bij die term. Let daar dus ook op bij de benadering en communicatie.  Denk daar goed over na, ook over het taalgebruik. Het kan helpen om een aantal verschillende persona’s – van verschillende type mantelzorgers – uit te werken en te gebruiken in de communicatie, zodat mensen zichzelf hierin kunnen herkennen. Oh, maar dan ben ik ook mantelzorger.’

Doelgroepen

Binnen het programma In voor Mantelzorg is veel aandacht voor verschillende doelgroepen. Bijvoorbeeld mantelzorgers met een andere culturele achtergrond. ‘Het is dan als gemeente of welzijnsorganisatie belangrijk om samen te werken met zelforganisaties om juist deze mantelzorger e bereiken. In sommige culturen is mantelzorg heel vanzelfsprekend, maar is het gevaar voor overbelasting ook groot. En zij vragen – soms uit schaamte of onbekendheid met het zorgsysteem – niet snel om hulp.’

Annemieke Feddema werkt bij Movisie, het landelijk kennisinstituut voor sociale vraagstukken. Ze is actief op het thema Informele Zorg en betrokken bij de Werkplaatsen Sociaal Domein. Als themacoördinator is zij betrokken bij verschillende lerende lokale praktijken van het programma In voor mantelzorg-thuis. Daarin staat samenwerking met en voor mantelzorgers centraal. Zij zet zich graag in om die samenwerking met mantelzorgers, vrijwilligers en professionals verder te versterken.