Samenlevingsopbouw zit in de lift en er zijn steeds meer verschillende spelers in het veld. Mariël van Pelt, senior adviseur professionalisering bij Movisie, werkte mee aan de publicatie ‘De terugkeer van de samenlevingsopbouw’.

foto: AdobeStock

Bewoners mobiliseren rondom en ondersteunen bij wat zij willen realiseren in hun leefomgeving. Dat is de essentie van samenlevingsopbouw. Denk aan meer groen in de wijk, duurzaamheid, ontmoeting, veiligheid en speelmogelijkheden voor kinderen.

De belangstelling en aandacht voor samenlevingsopbouw gaat in golfbewegingen, afhankelijk van beleid en maatschappelijke ontwikkelingen. De afgelopen paar jaar zien Mariël van Pelt en haar collega’s van Movisie de curve weer omhoog gaan. Er zijn meer vacatures op het gebied van opbouwwerk, er wordt weer meer onderzoek naar gedaan en over geschreven, er is aandacht voor de sociale basis en belangstelling voor de ABCD-benadering. Van Pelt: ‘Wat je ook ziet, is dat voor de politieke kant van het werk weer hernieuwde belangstelling is. Dan gaat het om structurele oorzaken van sociale problemen en signaleren en dit samen of namens de bewoners agenderen en kenbaar te maken aan de overheid en samenleving.

Waarom staat samenlevingsopbouw nu weer meer in de belangstelling?
‘Een aantal maatschappelijke en beleidsontwikkelingen komen nu samen. De afgelopen periode lag het accent meer op het individu. De insteek was dat je zelf verantwoordelijk bent voor je geluk en toekomst. Er was minder belangstelling voor gemeenschappen en verbindingen tussen mensen. Dat zag je ook terug in de organisatie en uitvoering van het sociaal werk. Zo was het idee dat de wijkteams collectief zouden gaan werken. Maar in de praktijk lag en ligt het accent echter vooral op de individuele hulpverlening. Dat wordt breed gezien en zorgt er mede voor dat samenlevingsopbouw meer aandacht krijgt.’

‘Verder was er de hoop dat er met de decentralisatie veel problemen opgelost en aangepakt zouden worden en dat er bezuinigd kon worden op specialistische hulp. Dat is niet gelukt. Er is juist een groter beroep op gedaan. De preventieve kant, oplossingen zoeken in het netwerk en nuldelijns voorzieningen, is niet goed van de grond gekomen. Dus bekijken professionals en beleidsmakers nu opnieuw hoe ze mensen op een laagdrempelige manier toegang tot voorzieningen kunnen geven. Ze zoeken de oplossingen in de sociale basis, de preventieve kant, en de verbindingen tussen mensen. Van daaruit wordt weer een link gelegd naar samenlevingsopbouw.’

In de publicatie geven jullie vooral een eerste schets van het nieuwe veld en de spelers. Wat zijn de verschillen met het vroegere opbouwwerk?
‘Opvallend is vooral dat er veel nieuwe spelers bij zijn gekomen. Het vroegere opbouwwerk werd voornamelijk uitgevoerd door werkers in dienst van welzijnsorganisaties. Op welzijnswerk is destijds erg bezuinigd, mede daardoor is opbouwwerk verdwenen. Overigens komt ook die functie van opbouwwerker nu weer terug.’

‘Maar er zijn nu ook veel professionals die vanuit andere werkvelden aan samenlevingsopbouw werken. In de publicatie geven we, naast een beschrijving van een klassieke opbouwwerker, een schets van drie van die nieuwe professionals:
– de dorpsondersteuner
– de democratiseringsmedewerker
– de procesmanager van een woningcorporatie.

‘Zeker die laatste functie is nieuw, omdat samenlevingsopbouw niet tot de primaire taken van deze organisaties hoorde. Zij werken aan samenlevingsopbouw om hun primaire taken beter te kunnen uitvoeren. De corporatiemedewerker in de publicatie probeert bijvoorbeeld het bewonersperspectief een belangrijke rol te geven tijdens een renovatie. Of denk aan de wijkagent die aan samenlevingsopbouw doet in het kader van het vergroten van de veiligheid in de buurt.’

‘Verder zijn er accentverschillen tussen de werkzaamheden van de verschillende professionals. De een richt zich meer op leefbaarheid en sociale cohesie, terwijl de ander zich meer bezighoudt met inspraak en zeggenschap. Het is goed om daar het licht op te laten schijnen. Dat is een van de redenen voor het schrijven van dit rapport. Je wilt dat professionals elkaar versterken en van elkaar weten wat ze precies doen en dat dit ook voor inwoners en beleidsmakers duidelijk is.’

Veel nieuwe professionals zijn niet in dienst van een welzijnsorganisatie. Wat is het gevolg daarvan?
‘Het klopt dat de positie van de professionals anders is dan vroeger. Zo zijn sommige professionals in dienst van de gemeente. Dan kan de onafhankelijkheid ter discussie staan en de vraag opkomen: waar sta je precies? Ben je er voor de inwoners of om beleid uit te voeren? Dit is trouwens altijd al een kernvraag bij samenlevingsopbouw. Tegelijkertijd kan het ook voordelen hebben als iemand in dienst is bij de gemeente. Zo’n professional weet goed de weg binnen gemeentelijke organisaties en kan mogelijk makkelijker iets voor elkaar krijgen.’

Jullie hebben een eerste, verkennende publicatie geschreven over samenlevingsopbouw. Maar jullie willen nog meer onderzoek doen. Waarom is dat nodig?
‘We willen onder andere meer spelers in het veld portretteren en het onderlinge samenspel tussen deze professionals beschrijven. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de community libririan. Ook willen we meer inzicht krijgen in wat de werkzame elementen zijn in het werken aan samenlevingsopbouw. Een belangrijke vraag is daarnaast: hoe maak je zichtbaar wat de impact is van samenlevingsopbouw? Er zijn natuurlijk concrete, geslaagde projecten te noemen, waarbij bewoners met behulp van professionals bepaalde dingen voor elkaar kregen. Denk aan de realisatie van een speeltuin of een buurthuis.’

‘Maar de waarde van samenlevingsopbouw gaat verder dan alleen de realisatie van projecten. Het proces van meedoen levert bewoners bijvoorbeeld ook veel op. Ze worden aangesproken op hun talenten, leren bijvoorbeeld plannen en organiseren, trainen gespreksvaardigheden. Maar hoe meet je dat en hoe maak je dat zichtbaar? Dat is belangrijk voor professionals, om de meerwaarde van hun werk te kunnen laten zien, onder meer om subsidie aan te vragen en geld te krijgen voor projecten. Daar is nog veel over uit te zoeken.’